Portret-Julius_Rooymans.jpg

“Als kleine jongen tekende ik graag avonturen. Steeds kampte ik met hetzelfde probleem: het papier bleek te klein en dan moest ik een extra vel aan mijn tekeningen plakken. En dan nog een. Inmiddels maak ik film- en foto-installaties. Ik droom van...

Julius logo kaal bruin.png

images

“Als kleine jongen tekende ik graag avonturen. Steeds kampte ik met hetzelfde probleem: het papier bleek te klein en dan moest ik een extra vel aan mijn tekeningen plakken. En dan nog een. Inmiddels maak ik film- en foto-installaties. Ik droom van grote projecten waarbij mensen door de projecties en beelden heen kunnen lopen. In zekere zin ben ik nog altijd die kleine jongen die tekeningen maakte waarbij het blad steeds te klein bleek.”

Julius Rooymans groeide op in een kunstenaarsnest in een boerendorp in de Betuwe: vader was kunstschilder, moeder beeldhouwster. De fascinatie voor het beeld moet jong ontstaan zijn: zodra zijn vader zijn fototoestel niet gebruikte, pakte Julius de camera. Hij was gefascineerd door het vierkante kader, de beperkende blik op de wereld: hij keek door de camera, zonder af te drukken. De prints bestonden in zijn hoofd.  

Julius ging naar de Rietveldacademie. Vlak voor zijn eindexamen dreigde hij van de academie gestuurd te worden omdat hij zijn eigen koers voer. Zijn afstudeerproject was volgens de commissie te heftig, de werken te groot en te wild. 

“Ik rek de scheidslijn tussen realiteit en fantasie op: 
Hoeveel frictie past in een beeld voordat de kijker zich er bewust van wordt? 
Je eigen ogen lossen mijn foto’s op.”

Buiten de academie sloeg zijn werk aan. Hij kreeg opdrachten voor internationale kunstinstellingen en tijdschriften, maakte onder meer covers voor Newsweek en The New York Times, deed shoots vanuit helikopters boven Afrika en stond op wolkenkrabbers in Amerika. 

Julius leerde van zijn ouders: nooit de makkelijke weg kiezen. Als je iets voor je project kunt laten, moet je het doen. Zijn vader moest geregeld kiezen tussen het kopen van eten of linnen om op te schilderen. Dat is de kant van kunst die Julius van jongs af aan zag: zelfopoffering, begeestering. Financiële zekerheid en gezondheid in de waagschaal leggen voor je producties.

“De werkelijkheid registreren boeit me niet, ik houd van grootse verhalen”

De realiteit, daar heeft Julius niet veel mee. Hij wil verhalen vertellen en poetst de werkelijkheid graag een beetje op. Zijn werk bestaat vaak uit gemanipuleerde situaties: samengevoegde beelden, montages en films die op overdonderend grote, metershoge en –brede projecties, doeken of prints te zien zijn. “Ik vertel met mijn werk kleine sprookjes.” Hij houd van groots en onmogelijk. Geen betere motivatie dan iemand die roept: dat kan niet. Er zijn geen beperkingen. 

Zo ging het van jongs af aan al. In zijn geboortedorp in de Betuwe waren kinderen veel buiten, spelen met koeien en hutten bouwen. Julius zat geregeld binnen, bouwde met speelgoed installaties in zijn kamer en verzon er verhalen bij. Het raakt aan het werk dat hij nu doet: het bouwen van een eigen wereld, creëren van verhalen.

Terugkerende elementen in het werk: maskers, omdraaiingen, reflecties, tegenstellingen: zwart-wit, oud-jong, voor wordt achter en onder komt boven. Het klassieke kader wordt gebroken en verrijkt, door ook de achterkant van een foto te tonen, of een productie ondersteboven te fotograferen. De werkelijkheid wordt ontmaskerd, of krijgt juist een masker op. 

De tweedimensionaliteit wordt doorbroken door te spelen met de vraag wat er buiten het vierkante kader getoond wordt. Zijn werk doorbreekt de standaard en ontmantelt het oppervlak, vertelt over een andere wereld. Over zíjn wereld. Kijkers zijn als een balletdanseres die teveel pirouettes heeft gedraaid: het beeld is verkleurd, verdraaid, lijkt niet te kunnen kloppen, maar ziet er tegelijkertijd fabelachtig uit. Dat is de kern van het werk: verwondering.

Het plezier waarmee een verhaal verteld wordt, het bespelen van onmogelijkheden.